|
Een balling uit Dersim is gestrand in Nederland. In een drieluik kijkt Taylan terug op zijn jeugd in en vertrek uit Dersim. Hoe is het om jong te zijn in een oorlog? Hoe leef je met een geschiedenis en heden van opstanden en onderdrukking?
Soms kon ik uren achter elkaar staren naar de schoonheid van de bergen. De zon, die achter de bergen langzaam ondergaat. De vier bergen die Dersim omcirkelen, bewaken Dersim. De lente beleven in Dersim is het mooiste wat je kan verwachten van een seizoen. De hoge bergen zijn in de lente groener dan ooit. Het groen van de lente bepleisterde de wonden van Dersim.
De Munzur stond hoog door het regenwater, zo stroomde hij veel harder. De komst van lente bracht vaak blijdschap mee. Boeren die blij waren omdat het eindelijk ging regenen: goed voor hun tarwe. De gewassen schoten de grond uit, de lucht in. Er waren ook mensen die niet blij waren met de komst van de lente want dat betekende immers dat ook het Newroz-feest weer zou losbarsten.
Leven met angst
Ik ben zestien jaar. Voor het eerst zal ik deelnemen aan de Newroz-viering. Met zonsopgang word ik wakker. Het lijkt alsof ik al uren op ben. Klaarwakker. Mijn hart slaat over van enthousiasme. In de familie heerst onrust. Ze zijn zenuwachtig, maar ook angstig. Angst hoort in Dersim bij het leven, je groeit er mee op. Pas als je een innerlijke strijd begint tegen die angst, en hem weet te overwinnen, kun je in Dersim leven. Anders niet. Zoals overal ter wereld waar een oorlog woedt, mensen in angst leven. Bij ieder stap die je zet, denk je dat je gevolgd wordt door politiemannen. Je nek wordt stijf van het voortdurend omkijken.
Mijn familie is niet voor niets ongerust. Ieder jaar zijn er bij Newroz duizenden aanhoudingen, rellen met het leger, martelingen, soms zelfs doden. Maar ondanks alles ben ik zeker van mezelf. Ik ga Newroz vieren. Niemand en niets zal me tegenhouden. Ik heb het al lang tevoren, diep in mijn hart, besloten.
Buiten regent het hard, alsof de regen met de bodem een afspraak heeft. Het gras wordt nog groener, de bloemen bloeien nog uitbundiger. De natuur is duidelijk blijer met de regen dan ik, die bang is dat Newroz niet door zal gaan.
In de bus, onderweg naar de stad, lijkt het alsof mijn hart via mijn mond naar buiten wil springen. Het gevoel is moeilijk uit te leggen. Het is alsof iemand achter je staat die je elk moment dood kan schieten. Maar je weet niet wanneer. Elk moment verwacht je een kogel. Je wil wegrennen, maar je kunt nergens heen.
Ik zie pantserwagens vol met de militairen voorbij rijden. De een na de ander. De militairen zien er ongerust en gespannen uit. Vanuit de bus zie ik dat bij de ingang van de stad controles zijn. Van iedereen die binnengaat, wordt de naam opgeschreven. Mensen worden uit de auto of bus gehaald en gefouilleerd. Je moet een reden opgeven om naar de stad te gaan. Dat weet ik van de verhalen over voorgaande jaren. Ik moet iets verzinnen. Mijn tante is erg ziek en ik moet haar bezoeken. Nee, nee, ik moet naar de stad om daar mijn vader te ontmoeten. Nee, ik moet iets anders verzinnen. Ik ga naar school. Maar daarvoor had ik met een speciale schoolbus moeten komen. Ik was vanmorgen niet lekker maar nu voel ik me wat beter en ga ik alsnog naar school. Dit lijkt me een goede reden om naar de stad te gaan. Na de grondige controle ga ik eindelijk de stad binnen.
 |